
Als hoogleraar mensgerichte ouderenzorg wil ik met wetenschappelijk onderzoek bijdragen aan meer mensgerichte ouderenzorg. Ik streef naar ouderenzorg waarin ouderen als unieke individuen gezien, gehoord en gerespecteerd worden. Zo kunnen ouderen het leven blijven leiden dat bij hen past. Ook als zij zorg en ondersteuning van anderen nodig hebben. In ons onderzoek gebruiken we het raamwerk voor mensgerichte praktijkvoering dat ontwikkeld is door Brendan McCormack en Tanya McCance, zij hebben beide een verpleegkundige achtergrond. Volgens dit raamwerk moet mensgerichte zorg in alle lagen van een organisatie verankerd te zijn.
Het is de kunst om structuren en processen zo in te richten dat mensgerichte zorg gefaciliteerd en gestimuleerd wordt in de relatie tussen zorgvrager en zorgverlener. Kernwaarden zijn respect voor alle betrokkenen, wederzijds begrip en individueel recht op zelfbeschikking. Uit verschillende van onze en andere onderzoeken blijkt dat het leren kennen van de zorgvrager cruciaal is. Elkaar echt leren kennen heeft natuurlijk tijd nodig. Eerste contacten met een zorgorganisatie bijvoorbeeld bij een verhuizing naar een woonzorgcentrum, zijn een belangrijk moment om goed kennis te maken.
Elke zorgprofessional streeft in principe naar mensgerichte zorg. Zij kozen immers voor dit beroep omdat zij voor mensen willen zorgen. In de praktijk blijkt dat vaak toch best lastig, omdat de processen en structuren van de zorgorganisatie nog onvoldoende gericht zijn op mensgerichte zorg. Terwijl mensgerichte ouderenzorg kwaliteit van leven en kwaliteit van zorg voor ouderen en kwaliteit van werk voor de zorgprofessionals betekent. Daarnaast is mensgerichte ouderenzorg ook een antwoord op de personeelstekorten in de huidige en toekomstige ouderenzorg. Er wordt gekeken wat belangrijk is voor een oudere en op basis daarvan wordt zorg op maat verleend. Binnen hun mogelijkheden hebben ouderen en naasten daarbij een actieve rol. Hierdoor verbetert het welzijn van alle betrokkenen, wat ook de efficiëntie van de zorgverlening ten goede komt.
Mijn ervaringen rond de verhuizing van mijn moeder naar een zorgappartement waren voor mij zo schokkend dat ze mijn ambitie om bij te dragen aan mensgerichte ouderenzorg hebben versterkt. Door je mee te nemen in mijn persoonlijke verhaal rond de verhuizing van mijn moeder, vraag ik aandacht voor de kant van de oudere en haar/zijn mantelzorger(s). Ik hoop dat dit inspireert om mensgerichte ouderenzorg voorop te zetten, in alle lagen van zorgorganisaties. Ik realiseer me dat ik door al mijn kennis op dit vakgebied heel kritisch ben. En dat mijn ervaringen niet representatief zijn voor de ouderenzorg als geheel. De voorbeelden die ik beschrijf gaan over mijn interactie met individuele zorgprofessionals. Ik ben ervan overtuigd dat zij steeds hun best deden maar door het systeem van de zorgorganisatie niet anders konden. De voorbeelden sluit ik af met één of meer aanbevelingen.
Mijn zus en ik gingen samen met mijn moeder naar haar toekomstige zorgappartement kijken. Aan het eind van de bezichtiging meldde de dame van de zorgorganisatie dat zij die middag vrij zou zijn en dat ze daarom binnen anderhalf uur ons besluit moest weten. Als mijn moeder het appartement zou accepteren, dan moest zij uiterlijk vijf dagen later verhuizen. Een leegstaand appartement kost tenslotte geld.
Ze stelde zelfs voor dat mijn moeder in het lege appartement zou trekken en om haar spullen later te verhuizen. Uiteindelijk is mijn moeder wel gelijk met haar spullen verhuisd. Dit bleek cruciaal voor het wennen aan haar nieuwe appartement. Ze vertelde meerdere malen dat ze zich in haar appartement thuis voelde, omdat het dankzij haar eigen meubels erg leek op het huis waar ze de afgelopen 38 jaar woonde.
Toen mijn moeder besloot het appartement te accepteren, spraken we ook een intakemoment op de dag van verhuizing af. Net voor het afgesproken moment kwam een zorgprofessional melden dat het later zou worden omdat ze het te druk hadden. We hadden ons meer welkom en minder bezwaard gevoeld als ze had gevraagd “kan het gesprek een uurtje later, zodat ik alle aandacht voor u kan hebben?”.
De zorgprofessional startte het gesprek door aan mijn moeder te vragen om iets over zichzelf te vertellen. Een mooie start van wat een waardevol gesprek kan worden. Het lukte mijn moeder niet meteen om iets te vertellen en de zorgprofessional had weinig geduld, ze had het zichtbaar druk en ging door.
Doordat de zorgprofessional niet echt luisterde, had ze niet snel in de gaten dat mijn moeder geen zorg of ondersteuning nodig had bij omkleden, opstaan en naar bed gaan of douchen. Het duurde dus een tijdje voordat ze begreep wat ze allemaal niet hoefden te doen voor mijn moeder. We kregen wel uitgebreid te horen wat ze allemaal niet zouden doen. “Dat is voor de familie”, zei ze dan. Dat klinkt abstract, alsof het over anderen gaat dan de mensen die deelnemen aan het gesprek. Toch begreep ik wel dat mijn zus en ik aan de beurt zouden zijn als “het voor de familie is”. “We kunnen en mogen steeds minder”, zei ze ook.
Omdat dit de eerste keer was dat mijn moeder in een zorgappartement ging wonen, hadden we nog geen vastomlijnde verwachtingen. De sfeer was stukken beter geweest als de nadruk had gelegen op wat er wel kon en hoe we er samen (met mijn moeder) voor konden zorgen dat mijn moeder een fijn leven in het woonzorgcentrum zou hebben.
Daar komt nog bij dat het geen gelijkwaardig gesprek was. De zorgprofessional vertelde wat er van ons verwacht werd en wat zij niet deden. Er was geen ruimte voor onderhandeling en al helemaal geen ruimte voor zorg op maat. Zo was het onbespreekbaar dat iemand haar wegwijs in het woonzorgcentrum zou maken door de eerste keren samen de krant uit de brievenbus te halen. Ik realiseerde me dat het een enorme uitdaging zou worden om mensgerichte zorg voor mijn moeder in dit woonzorgcentrum voor elkaar te krijgen.
Op basis van bovenstaande ervaringen, doe ik de volgende aanbevelingen:
Volgens afspraak haalden we een dag voor de verhuizing de sleutels op. We kregen de sleutel van haar eigen voordeur, maar de tag voor de centrale deur was nog niet geprogrammeerd. De programmeur was er na het weekend pas weer. “Niets aan te doen” en “tja, dat had mijn collega moeten regelen” hoorden wij. Toen we uitlegden dat we dan tijdens de verhuizing om de haverklap moesten aanbellen zodat een zorgprofessional de centrale deur kon openen, werd er met zichtbare moeite een werkende tag geregeld. De gedachte ‘sorry dat mijn moeder hier komt wonen’, schoot door mijn hoofd.
In het kennismakingsgesprek op de dag van verhuizing bleek dat nog niet besloten was wie mijn moeders eerst verantwoordelijke verzorgende (EVV’er) zou worden, terwijl toch al ruim een week duidelijk was dat mijn moeder naar dit appartement zou verhuizen.
Mijn aanbeveling is daarom:
Deze column publiceer ik bewust na het overlijden van mijn moeder. Als zij zich volledig bewust zou zijn geweest van hoe ik de situatie heb ervaren, had dit haar gewenning beïnvloed.